Nieuwe media & democratie: over videomalaise, media literacy en fake news

Deze blogpost werd geschreven in kader van de opleiding journalistiek aan KU Leuven Campus Brussel.

Het gebeurde tijdens de les ‘Mediaopleiding’ afgelopen maandag, iemand die onze (fake) tweet met ‘#breaking: Gele hesjes-protest in Parijs: al meer dan 1700 arrestaties, 260 mensen gewond’ retweette. Als deze persoon iets beter opgelet had en ons account, dat speciaal voor de les opgericht werd, even gecheckt had, zou hij geweten hebben dat deze gebeurtenis niet echt was.

Schermafbeelding 2018-12-12 om 20.37.12

Media Literacy en fake news

Over de hele wereld zijn burgers te weinig geletterd op het gebied van media. Een gevolg hiervan is, wanneer burgers zichzelf informeren via media, wat tegenwoordig heel gebruikelijk is, ze niet kritisch genoeg zijn over wat ze waar lezen. In tijden van fake news is kritisch zijn over je bronnen, maar ook over de inhoud, een belangrijk issue.

Geletterdheid op het gebied van media of kortweg media literacy heeft namelijk niet enkel het voordeel dat wanneer het verhoogd wordt, je kritischer je bronnen kan beoordelen en dus het verspreiden van fake news kan voorkomen. Het verhoogt bovendien ook de activiteit in een democratische samenleving en kan helpen radicalisering te bestrijden.

In Finland, Australië en Nieuw-Zeeland maakt media literacy al deel uit van het standaard lessenpakket (Jolls & Johnsen, 2018), maar ook in andere (Europese) landen zou media literacy hoger op de agenda moeten staan. In maart 2017 werden de leden van de Europese Commissie dan ook opgeroepen om concrete acties op poten te zetten om media literacy in hun land te verhogen (Europese Commissie, 2018).

medialiteracy
Afbeelding via medialiteracy.org

Ook bij ons staat media literacy hoog op de agenda. Zo moesten in academiejaar 2017-2018 alle derde bachelorstudenten Communicatiewetenschappen van de KUL (waaronder ikzelf), individueel een proposal voor de Europese Commissie pitchen om de mediageletterdheid van burgers in verschillende landen te verhogen. Dit project kwam van professor Pascal Verhoest, die overigens al als consultant voor de Europese Commissie werkte. We kunnen dus besluiten dat er in de academische kringen zeker veel aandacht naar media literacy uitgaat.

Videomalaise

Videomalaise oftewel ‘negatieve publieke attitudes die het gevolg zijn van het kijken naar televisienieuws’, is een probleem in de Westerse wereld (Mutz & Reeves, 2005). Dit is niet verrassend, aangezien studies aantonen dat negatief nieuws overheerst binnen nieuwsuitzendingen (Robinson & Appel, 1979). Theorieën over videomalaise hebben zich verspreid en vormen nu meer algemene beweringen over politieke journalistiek, beweringen die de televisie, kranten en vrijwel alle politieke media overstijgen (Mutz & Reeves, 2005). Patterson gaat nog een stap verder en concludeert dat de ongunstige houding ten opzichte van politici resulteert uit de negatieve berichtgeving van alle media. Hij suggereert dat negatieve commentaren van journalisten vanzelfsprekend leden van het publiek ertoe brengen slecht te denken over politici en het politieke systeem in het algemeen (Patterson, 1994).

Zou vertrouwen in politiek en politici verbeteren als het publiek eenvoudigweg geen getuige zou zijn van zoveel onbeschaafde politieke meningsverschillen op televisie? Op basis van sociaal-psychologische theorieën over interactie tussen mens en media, zeggen Mutz en Reeves dat politieke meningsverschillen de “intensivering van gevoelens” verergeren. Wanneer politieke actoren interacties op tv uitvoeren die de normen voor dagelijkse face-to-face interactie overtreden, bevestigen ze het gevoel van de kijkers dat politici geen rekening houden met dezelfde normen voor sociaal gedrag waaraan gewone burgers zich houden.

Een actueel voorbeeld hiervan is de discussie die ontstond tussen VTM-nieuwsanker Stef Wauters en voormalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken. Tijdens het livejournaal van zeven uur op VTM (dinsdag 11 december) waren de twee heren het niet eens over een bepaalde uitspraak, wat resulteerde in een verhitte discussie. Achteraf verscheen een artikel over deze gebeurtenis op het Nieuwsblad, en tweette Francken nog eens dat hij deze gebeurtenis niet oké vond.

Schermafbeelding 2018-12-12 om 17.53.49
Screenshot van nieuwsblad.be

Ook bij ons is er een wijdverspreid cynisme ten opzichte van politieke leiders en instellingen, wat we onder andere terugzien in een dalende opkomst bij verkiezingen.

Het concept videomalaise stamt natuurlijk nog af uit het ‘tijdperk’ waarin er voor nieuwsconsumptie overwegend naar tv gekeken werd. Anno 2018 is het belang van televisie wat afgezwakt, en hebben nieuwe media aan populariteit gewonnen. De vragen die wij ons moeten stellen zijn dan ook, ‘kan een verminderde politieke participatie nog aan televisienieuws toegeschreven worden?‘ en ‘bieden nieuwe media werkelijk een kans om politieke participatie te verhogen?‘. Het antwoord op deze vragen wordt getracht in de volgende paragrafen weer te geven.

Nieuwe media

Zonder de aanwezigheid van verschillende meningen in de openbare ruimte, kan een constructieve dialoog (die een noodzakelijke voorwaarde is voor het oplossen van sociale conflicten) niet plaatsvinden. Bij afwezigheid van dergelijke gevestigde, open, openbare ruimte kunnen nieuwe media de platformen voor deze discussie bieden: blogs en sociale netwerken zoals Facebook laten alternatieve stemmen toe om te spreken wanneer de traditionele media niet vrij zijn om dat te doen, door bijvoorbeeld censuur. Een publieke sfeer wordt door Hague & Loader beschreven als ‘communicatievelden waarin burgers vrij zijn om deel te nemen aan democratische processen’. Indien er in een samenleving sprake is van censuur, kan er dus geen publieke sfeer zijn. De opkomst van het internet, waaraan meer mensen kunnen deelnemen, brengt hier verandering in en zorgt dat deze publieke sfeer verbreedt wordt.

Nieuwe media doorbreken dus het ‘monopolie van communicatie’, dat traditioneel in stand gehouden wordt door de politieke en culturele elite. Daardoor is deelname aan het politieke en culturele leven mogelijk voor een breder publiek, door bijvoorbeeld alternatieve platformen aan te  bieden voor artistieke expressie (Democratic Progress Institute, 2012). De onderzoekers concluderen dat dergelijke deelname cruciaal kan zijn om een hiërarchische en restrictief politiek en cultureel leven, wat kan leiden tot stagnatie, te vermijden. Met de ontwikkeling  en opkomst van het internet, ‘kunnen politiek en mensen elkaar opnieuw ontmoeten en eindelijk beginnen met communiceren‘ (Democratic Progress Institute, 2012).

Social-Media-e1518208936600
Afbeelding via Adlibbery.com

In de vorige twee paragrafen werden de voordelen van nieuwe media voor de democratie besproken, maar aan dit fenomeen zijn er ook nadelen verbonden. Het is namelijk zo dat het profiel van degenen die actief betrokken zijn op dergelijke platformen, moeilijk te generaliseren is. Wanneer men dan toch tracht de generaliseren, concluderen onderzoekers in ‘New Media and the Development of Democracy’  dat de gemiddelde geëngageerde gebruiker mannelijk is, middenklasse, hoger opgeleid en (in het algemeen gesproken) liberaler dan de rest van de bevolking (Democratic Progress Institute, 2012). Het beeld dat hier geschetst wordt, is dus geen representatief beeld van de gehele bevolking. Een anders voorbeeld dat de onderzoekers geven om die representativiteit te kaderen, is dat van Egypte. Daar zijn 30% van de internetgebruikers vrouwen, terwijl er in de maatschappij slechts 44% van de vrouwen kan lezen. Conclusie: degenen die zich met vooruitstrevende media zoals internet bezighouden, zijn dus ‘afkomstig uit het midden- en hogere segment van de Egyptische samenleving’. Dit varieert uiteraard afhankelijk van de snelheid van internetpenetratie, maar in sommige landen, zoals Egypte, is er een grote discrepantie tussen degenen die online zijn en degenen die offline zijn. Door deze discrepantie kan de representativiteit van dialoog op dergelijke platformen in twijfel getrokken worden, omdat we niet kunnen garanderen dat de hoge, lage en middenklasse dezelfde veranderingen voor ogen hebben (Democratic Progress Institute, 2012).

Een ander nadeel is censuur. Hoewel het internet op vlak van vrijheid van meningsuiting meer kansen biedt dan een traditioneel medium, wordt er in sommige landen nog gecensureerd. Een voorbeeld hiervan is China, waar de meerderheid van de bevolking bijvoorbeeld geen toegang heeft tot Facebook. Daar vonden ze dan weer een oplossing voor, en zo kwam er de mobiele applicatie We Chat, wat een combinatie van Facebook, WhatsApp en Twitter zou zijn. Hoewel de producent van de app, Tencent, niet afhankelijk is van de Chinese overheid, gebeurde het al eerder dat de Chinese overheid het spelen van videogames (geproduceerd door Tencent) limiteerde. Of alle berichten die op de app verstuurd worden en openbaar gepost worden, het échte beeld van China tonen, is dus maar de vraag.

Conclusie

De opkomst van nieuwe media hebben verschillende voordelen die democratisering kunnen verhogen. Zo wordt het ‘communicatiemonopolie’ van traditionele media doorbroken, en kunnen bijvoorbeeld verschillende meningen eenvoudig gehoord worden via sociale netwerkplatformen.

Op de vraag ‘bieden nieuwe media werkelijk een kans om politieke participatie te verhogen?’, kunnen we, als het van de Europese Commissie afhangt, ook volmondig ja antwoorden. Nieuwe media kunnen de democratisering en politieke participatie daadwerkelijk verhogen, op voorwaarde dat er juist met media omgegaan wordt. Het voorbeeld over Egypte illustreert dat vooral de intellectuele elite zich daar bezighoudt met ‘nieuwe technologie’ zoals het internet, wat dus eigenlijk een nadeel is, omdat in een democratie alle stemmen aan bod (zouden) moeten komen. Iets dichter bij huis, in de landen die lid zijn van de Europese Commissie, wordt er anno 2018 sterk ingezet op het verhogen van media literacy, wat ervoor moet zorgen dat mensen daadwerkelijk juist omgaan met nieuwe media en de info die beschikbaar is. Als dit overal ter wereld toegepast wordt, heeft dit nadeel in Egypte dus potentieel om in iets positief omgebogen te worden.

De vraag ‘kan een verminderde politieke participatie nog aan televisienieuws toegeschreven worden?’, is minder eenvoudig te beantwoorden. Bij de komst van een nieuw medium neemt de tijd die aan een ander medium besteed wordt namelijk af, omdat het aantal uren in een dag nu eenmaal gelijk blijft. Indien we minder televisie kijken dan vroeger, is het dus mogelijk dat videomalaise geen reden (meer) is voor de lage politieke participatie. Mogelijk, welteverstaan. Door de multimedialiteit van dergelijke nieuwe media is het dus ook mogelijk dat mensen wél nog met televisienieuwsuitzendingen in contact komen, ook al bekijken zij deze niet bewust. Het eerder aangehaalde voorbeeld van Theo Francken en Stef Wauters kan ook hier ter illustratie dienen: hoewel ik zelf de bewuste nieuwsuitzending niet live gekeken heb, kwam ik het desbetreffende fragment en het krantenartikel errond wél tegen via een ander medium, namelijk via mijn smartphone. Ik was duidelijk niet de enige persoon, volgens de statistieken werd het artikel maar liefst 10.900 keer gedeeld.

Die multimedialiteit sluit aan bij de conclusie van Patterson, die al in 1994 besloot dat het publiek via verschillende media een negatief beeld van politiek kreeg.

Over de link tussen videomalaise, politieke participatie, televisienieuws en nieuwe media kunnen we momenteel dus geen eenduidige conclusie vormen. Hopelijk brengt de toekomst meer verheldering rond dit thema!

Bronnen:

 

 

Dankjewel voor je reactie! ♥

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s